Matteo zong zacht, een beetje onzeker. Er waren geen bladmuzieken, alleen herinneringen. Elk lied was anders, veranderde met degene die het aanhief, met vergeten woorden, met improvisaties die nieuwe tradities werden.
De families van Palù wachtten vol verwachting. Sommigen boden koekjes aan, anderen warme wijn, weer anderen wat munten. Het was niet alleen gastvrijheid: die giften dienden ook om de kerk te ondersteunen en de gemeenschap levend te houden.
Huis na huis, lantaarn na lantaarn, verlichtte de tocht van de Stèla de oudejaarsnacht. De meer ervaren Stelari leidden de zang met zekerheid. De ouderen spraken met weemoed over de Cante en de dienstplichtigen die in voorgaande jaren de ster hadden gedragen. Matteo luisterde gefascineerd.
Toen aan het einde van de ronde de laatste lantaarn uitging, voelde hij een mengeling van trots, dankbaarheid en sereniteit. Hij had gevreesd niet goed genoeg te zijn, maar had ontdekt dat de Stèla aanwezigheid boven perfectie verkiest.
En dat licht dat in het begin niet wilde aangaan, leek hem bijna een teken: zelfs wanneer de traditie lijkt te doven, is één moment genoeg om haar weer te laten schitteren. Die oudejaarsnacht in Palù voelde Matteo dat hij zijn eigen licht had ontstoken en zijn plek in het dal had gevonden.